Mijn oogsituatie is erfelijk. Mijn beide ouders zijn blind. Ze
hebben elkaar leren kennen in een revalidatiecentrum. Een centrum waar
mensen heen gaan als die veel minder zijn gaan zien en zich aan moeten passen
aan hun nieuwe situatie qua zowel wonen als ook werk. Mijn vader heeft de
oogaandoening RP (Retritis Pigmentosa) en mijn moeder heeft Cataract (staar) met als
gevolg ook Glaucoom. Hierdoor heeft zij ook een verhoogde kans op hoge oogdruk.
Mijn oogsituatie is met die van mijn moeder te vergelijken. Mijn oogpupillen
zijn zwart, omdat de functie van de irissen in mijn ogen door deels ontbreken
niet helemaal werken. De iris in het oog is o.a. verantwoordelijk voor het
regenboogvlies van het menselijk oog. Ondanks dat heb ik verder geen problemen
optisch kleuren waar de nemen.
Sinds ik 3 jaar oud ben draag ik een bril. Lenzen vind ik zelf geen optie omdat
ik bang ben voor irritaties of ontstekingen aan mijn ogen. Toen ik 6 jaar oud
was ging ik naar een school (Theofaan, tegenwoordig Koninklijke Visio) toeval of
niet ook in Grave, speciaal
voor blinden en slechtzienden. In eerste instantie ging ik daar met de taxi
dagelijks heen, later gewoon te voet. Met middelbaar onderwijs inbegrepen heb ik tot
mijn 17e op die school gezeten. Op die school was alles aangepast voor
leerlingen met een visuele handicap. Zowel de leerstof, als ook het tempo, het
krijt voor het schoolbord, de TL verlichting, buitenschoolse activiteiten, maar
ook de sportlessen. Ik heb zelfs nog ergens een diploma voor oriëntatie in het
verkeer, dat vanuit de school werd georganiseerd, samen met de politie.
Tijdens
mijn periode op het middelbaar onderwijs, heb ik voor Theofaan
meegedaan als een van de hoofdpersonen in een promotiefilm ("Omdat alleen een
bril niet helpt") voor de instelling, erg leuk om te doen. Deze film werd
zakelijk maar ook voor Pabo opleidingen ingezet, om te laten zien wat onderwijs
voor visueel gehandicapten inhoud. Als ik als 6 jarige
zelf had mogen kiezen had ik ondanks mijn ogen toch liever naar een reguliere
school gegaan. Maar ondanks alles heb ik
wel 11 super mooie jaren gehad op Theofaan.
Echter toen ik 12 jaar oud was, werd door de oogarts van Theofaan hoge oogdruk
bij mij geconstateerd, als jong kind kwam dat natuurlijk als een hele hard klap
aan. Tussen mijn 12e en 15e levensjaar heb ik meerdere kleine ingrepen gehad in het
ziekenhuis, om mijn hoge oogdruk onder controle te houden. Tijdens zo’n ingreep
wordt het oog als het ware "bevroren", waardoor de oogdruk zakt. Zo'n ingreep
duurt slechts enkele minuten. Maar ik moest er wel meerdere dagen ter
observatie blijven. Sinds mijn 12e,
waarschijnlijk voor de rest van mijn leven moet ik dagelijks mijn beide ogen
druppelen. Door die ingrepen in het ziekenhuis is vooral mijn rechteroog
behoorlijk in zicht achteruit gegaan. Maar sinds mijn 15e is mijn
oogsituatie stabiel. Ik moet wel jaarlijks voor een controle naar het
ziekenhuis, inmiddels is dat een soort routine voor mij geworden. Ondanks dat
het bij mij erfelijk is en mijn beide ouders blind zijn, heeft mijn broer
helemaal geen oogproblemen.
Voornamelijk met mijn linkeroog kan ik het dagelijks leven nog heel goed
waarnemen. 's Morgenvroeg is het ochtendlicht nog wel eens te fel, vooral de
combinatie ochtendlicht en sneeuw is soms heel vervelend. Daarnaast kan
ik gewoon tekst van normale grootte op een A4 blad lezen. Vanzelfsprekend wel
van dichterbij als iemand die geen ooghandicap heeft. Het is zelfs zo, dat
ik vaak teksten zonder bril beter kan lezen als met bril. Het is moeilijk
concreet aan te geven wat ik wel en niet kan zijn, omdat dit per situatie
verschillend is. Maar één voorbeeld, voornamelijk met mijn linkeroog kan ik
behoorlijk scherp zien. In die mate dat ik een boom op ca 10-20 meter goed kan
zien en de onderdelen daarvan goed kan onderscheiden, maar niet de boomblaadjes
afzonderlijk kan waarnemen.
E
r is eigenlijk niets dat ik niet zelfstandig kan. Ja, autorijden is
uitgesloten. Maar daarvoor zijn weer een hoop andere alternatieven te bedenken.
Ik fiets en wandel erg graag en heb geen probleem lange afstanden te reizen. Ik ben in het bezit van een herkenningsstok. In het verleden heb ik die nog
weleens in onbekende drukke verkeerssituaties ter hand genomen. Maar die heb ik
al vele jaren niet meer gebruikt. Daarnaast heb ik ook een mono-kijker. Die
gebruik ik voor trein- en busborden, winkeletalages, straatnaambordjes,
huisnummers en verkeerssituaties op afstand. Wat betreft computerwerkzaamheden,
zit ik wel vrij dicht op het beeldscherm en is wel de werkplek t.o.v. het
computerscherm van belang.
Ik word vaak gevraagd, of het niet vervelend wordt, dat ik
telkenmale weer moet uitleggen wat ik wel en wat ik niet kan zien, hoe het
zo ontstaan is e.d. Nee dat gaat me niet vervelen, mijn slechtziendheid
hoort gewoon bij me, net als mijn armen en benen, oftewel het is voor mij
heel normaal geworden. Ik schaam me ook zeker niet voor mijn handicap.
MIJN ERVARINGEN
Dankzij mijn ouders en het UMC St. Radboud ziekenhuis in Nijmegen zijn mijn ogen
al 2 maanden na mijn geboorte onderzocht en sindsdien goed in de gaten gehouden.
Voornamelijk omdat het in mijn geval erfelijk is.
De kleuterschool heb ik op een reguliere school mogen doen. Maar daarna ging ik
dus naar Theofaan. Voor die tijd was dat de meest gangbare weg voor
iemand met
een visuele handicap. En ondanks dat ik daar een mooie tijd heb gehad, had ik
liever naar een reguliere school gegaan, zoals mijn broer. Maar als 6 jarig kind
heb je daar nauwelijks zeggenschap in. Ik ben van mening dat speciaal onderwijs
een mogelijke rem kan zijn op de ontwikkeling van een kind. Iemand die meer kan,
kan binnen zo’n school zich niet verder ontplooien. Ik weet namelijk zeker, dat
als ik op een reguliere basisschool zou hebben gezeten ik meer uit mezelf had
kunnen halen als nu het geval is.
Tegenwoordig is het zo dat steeds meer ouders ervoor kiezen hun visueel
gehandicapt kind naar het reguliere basisonderwijs te doen. In overleg met de
school wordt dan bekeken of er extra hulp nodig is. Deze hulp kan bijvoorbeeld
bestaan uit een ambulante begeleiding. In zo’n geval wordt er contact opgenomen
met een instelling voor blinden en slechtziend, zoals bijvoorbeeld Koninklijke
Visio of Bartimeus. De leerling volgt dan gewoon "thuis" het regulier onderwijs.
Eens in de zoveel tijd komt dan een begeleider polshoogte nemen en geeft zo
nodig advies en hulp.
Zelf heb ik gedurende 3 jaar ook ambulante begeleiding gehad, gedurende mijn
opleiding tot administratief medewerker, in Nijmegen. Ik was behoorlijk tevreden
over de mate van contact en de hulp die mij geboden werd. Door deze ambulante
begeleiding werd ervoor gezorgd dat ik uitvergrootte studieboeken kreeg en deze
begeleiding heeft o.a. gezorgd voor dikker schoolkrijt. In mijn geval kreeg ik
ambulante begeleiding vanuit Theofaan, tegenwoordig is dat Koninklijke Visio.

Mede dankzij Theofaan heb ik in 1995 en in 1997 deel kunnen nemen aan 2 kampen
voor jongeren, speciaal voor blinden en slechtzienden. Dat was heel erg leuk om
te doen en goed voor mijn persoonlijke ontwikkeling. En natuurlijk het opdoen
van internationale contacten. Tijdens zo’n kamp zit je midden tussen soort
genoten, je voelt je begrepen. Je hebt samen plezier. Dus wat dat betreft zijn
het perfecte gelegenheden voor iemand met een visuele handicap.
Ik ben op zich tegen “hokjes”, zoals blinden en slechtzienden groeperen en
activiteiten organiseren in een beschermde omgeving. Maar dergelijke kampen
waren wel heel leerzaam en goed voor de persoonlijke ontwikkeling. Misschien een
idee om dergelijke kampen te organiseren deels blinden en slechtzienden deels goedzienden. Het is wel een soort van droom voor me, om ooit een dergelijke
activiteit te organiseren.
Omstreeks 1995 heb ik me ook aangemeld bij de Nederlandse vereniging voor
blinden en slechtzienden. Kort daarna heb ik me ook aangemeld binnen die
vereniging bij de Jongerencommissie. Daar ben ik dan ook een aantal jaar
secretaris geweest. Ook door mijn administratieve achtergrond en de interesse om
met (nieuwe) mensen in contact te komen, was dat erg leuk om te doen. Mede door
de jongerencommissie heb ik ook deelgenomen aan een
uitwisselingsproject met de IJslandse blinden- en slechtziendenvereniging. Maar
ook heb ik daardoor deel kunnen nemen aan een jongerenkamp in Duitsland, in
2000. Achteraf gezien heeft dit kamp een hele zeer grote invloed gehad op mijn leven
tot dusverre.
In die functie als secretaris voelde ik me erg thuis, dingen organiseren,
contacten leggen en onderhouden e.d. Als secretaris ben je ook een soort van
visitekaartje naar de buitenwereld. Maar als jongere met een handicap heb je
helaas weinig te zeggen in deze wereld waar de gemiddelde leeftijd van de mens
steeds ouder wordt. De groep jongeren binnen de vereniging (16-35 jaar) was maar
10% van het totale ledenbestand. Dat zal vandaag de dag zeker niet anders zijn.
Er
is een spreekwoord dat zegt “de jeugd is de toekomst”. In dat kader zouden
oudere visueel gehandicapten, overheden en iedereen die daar belangen bij hebben
meer moeten luisteren naar jongeren die een visuele handicap hebben, ook al
vertegenwoordigen zij maar een kleine groep. Ja in de wereld van blinden en
slechtzienden speelt "vergrijzing" ook een grote rol. Het contact met de
jongere medegehandicapte is zo belangrijk voor de
integratie en het begrip voor mensen met een handicap in de samenleving.
Het organisatorische vermogen, zoals secretaris van die jongerencommissie heb ik
van mijn vader. Maar daarnaast heb ik ook een heel groot doorzettingsvermogen,
dat heb ik van mijn moeder. Door zo'n handicap leer je vechten, tegenslagen te
verwerken en door te gaan, ondanks dat het niet altijd makkelijk is en het z'n
beperkingen heeft. Er is denk ik niet 1 persoon met een visuele handicap die
zijn beperking 100% accepteert, maar ik leer er mee om te gaan. In veel gevallen
zie ik het dan ook niet meer als een beperking, maar juist als een uitdaging.
Ik ken heel veel mensen die blind of slechtziend zijn, die bij de pakken neer
gaan zitten en zielig gaan doen, ik kan toch niets, dus..... Nee, ik wil voor
mezelf grenzen verleggen en ik zal nooit opgeven totdat ik mijn doel bereikt
heb. Die zielige instelling van veel blinden en slechtzienden heeft mij de
laatste jaren een beetje de rug doen toekeren naar dat wereldje. Ik heb zelf ook
gemerkt dat er veel jaloezie bestaat in het wereldje van blinden en
slechtzienden, omdat de één meer kan dan de ander. Terwijl het eigenlijk is, de
één wil meer dan de ander. Want als iemand wil kan die net zoveel als een ander.
Misschien op een andere manier, maar ieder persoon heeft zijn of haar eigen
kwaliteiten. Inmiddels ben ik dan ook al lang geen lid meer van die vereniging.
Ik ben iemand die absoluut niet tegen onrecht kan. Er zijn zoveel mensen,
zowel bedrijfsmatig als ook in persoonlijke sfeer, door onbegrip of door
andere redenen, misbruik maken van je handicap. Daar kan ik absoluut niet
tegen, daar kom ik dan ook fel tegen in opstand. Die ophef die ik dan
veroorzaak, valt soms in het verkeerde keelgat bij anderen. Helaas heb ik
hier al vaker mee van doen
gehad. Ik ben een persoon die zegt waar het op staat, op een als het zo moet
directe manier.
Helaas heb ik al te vaak moeten meemaken dat ik nieuwe contacten legde en
onderhield, geen enkel probleem. Tot op het punt dat ze door een persoonlijke
ontmoeting of via andere wegen ontdekten dat ik een handicap heb. Daardoor viel
het contact weg of bijvoorbeeld was de bereidheid mij te helpen in ene weg. Je
wordt beoordeeld op je handicap, niet op wie je bent, door onwetendheid, terwijl
dat helemaal niet nodig moet zijn.
Ik wil graag 2 persoonlijke situaties benoemen. In het eerste geval heb ik
vrijwilligerswerk verricht in het Muzieum in Nijmegen. De meeste vrijwilligers
en een aantal gidsen waren blind dan wel slechtziend. Het management waren
uitsluitend mensen zonder handicap. Mensen die het muzieum bezoeken willen graag
ervaren wat het betekent om visueel gehandicapt te zijn. Als vrijwillig dan wel
betaalde werknemer was het toch een soort van trots op mensen te laten zien was
je wel of niet kan met je ogen. Naast de tentoonstelling zelf was het dan ook
belangrijk voor bezoekers om met “ ons” in contact te komen. Maar het management
was daar totaal koud voor. Ik was dan ook de zoveelste die zonder enige reden na
verloop van tijd werd weggestuurd. Dat maakt me niet veel uit, maar gewoon het
feit dat zo’n organisatie zo met haar kapitaal omgaat, bewijst mij dat zulke
mensen een handicap niet willen begrijpen. Inmiddels doe ik ander
vrijwilligerswerk ik naar goede tevredenheid.

In het 2e voorbeeld gaat het om mijn werkgever van december 2008 tot juni 2009.
Ik had gereageerd op een vacature, gemarkeerd als voorkeursvacature voor
allochtonen en mensen met een handicap. 2 korte gesprekken en ik was aangenomen,
alles in een vrij korte tijd. Nee handicap geen probleem, als ik maar wel aangaf
als ik iets nodig zou hebben, zoals hulpmiddelen. Ja een groter beeldscherm dat
kreeg ik, maar dat was het enige dat ze in mijn handicap geïnvesteerd hebben.
Steeds meer merkte ik bij mijn chef dat hij niet bekend was met mijn handicap en
van de andere kant werd ik steeds meer gewaardeerd door alle andere collega’s om
mijn werkzaamheden. Iedereen binnen het bedrijf gunde mij een contractverlening.
Maar mijn chef achtte mijn handicap in het begin minder in als die in feite was
en nog steeds is. Op grond daarvan heeft hij mijn contract niet verlengd, dat
zie ik als een discriminatie. Helaas kan ik er niets tegen doen, omdat ik het
niet schriftelijk heb.

Deze werkgever betreft een gewoon bedrijf in het bedrijfsleven. Ik weet van
mezelf dat ik heel goed binnen zo’n bedrijf kan functioneren, dat hebben mijn
afgelopen banen ook aangetoond. Zelf ben ik daarom ook een grote tegenstander
van sociale werkvoorzieningbedrijven. Vroeger waren dat de echte “opvangnetten”
voor iemand met een handicap. Tegenwoordig schijnen het meer volwaardige
bedrijven te zijn. Toch ook dan ben ik tegen zulke werkconstructies. Mensen met
een handicap in een “ hokje” stoppen. Naar mijn mening moet het gewone
bedrijfsleven mensen met een handicap een serieuze kans geven. Er zijn
werkgevers die dat doen, maar die zijn er nog veel te weinig. Een werkgever zou
trots moeten zijn op iemand die slechtziend is of een andere handicap heeft en
tevens goed functioneert. Daarnaast merk ik dat de visueel gehandicapte zelf
helaas in veel gevallen niet het onderste uit de kan haalt om bij een gewoon
bedrijf te werken, meestal bang om geconfronteerd te worden met de handicap.
Naar de maatstaven van wat iemand geestelijk en fysiek kan moet iemand met of
zonder handicap afgerekend worden op zijn of haar inhoudelijke kwaliteiten en
niet op de handicap.
Dit zijn 2 voorbeelden die mij aantonen dat ik wel degelijk wil, meer wil, meer
kan, maar niet altijd meer mag. Omdat mij grenzen worden opgelegd. Ik ben iemand
met veel ambities, maar helaas kan ik niet altijd meer door mijn handicap. Maar ja, op zich mag ik
blij zijn, met wat ik tot dusverre bereikt heb. En wie weet brengt de toekomst
mogelijkheden met zich mee, die ik voor onmogelijk houd. dus wie weet.